Geschiedenis

1. Ontstaan van de Militaire luchtvaart en de Luchtdoelartillerie.

Al spoedig na de uitvinding van de luchtballon ( 5 juni 1783 door de gebroeders Montgolfier) raakte men overtuigd van het nut van de luchtvaart voor militaire doeleinden.
Tijdens de Eerste Coalitie-Oorlog (1792-1797) werden kabelballonnen gebruikt voor verkenningen en in de Franse-Duitse Oorlog van 1870-1871 werden, althans aan Franse zijde, voor het eerst op grote schaal vrije ballonnen toegepast.
Het was een Duitse artillerist die op het idee kwam een stuk veldgeschut met behulp van een verhoogde
affuit extra elevatie te geven ( ± 80°), waardoor het mogelijk werd vuur uit te brengen op deze ballonnen.
Op 12 november 1870 werd de Franse ballon “Daguerre” neergeschoten door een 3,6 cm kanon dat door
de firma Krupp speciaal voor de luchtafweer was gebouwd. De verdere ontwikkeling van de luchtballon verliep
aanvankelijk vlot. Op 9 augustus 1884 vond de eerste militaire vlucht met een bestuurbare ballon plaats. De
ontwikkeling van de luchtverdedigingsmiddelen hield hiermee echter geen gelijke tred. Na de uitvinding van het motorvliegtuig ( 17 december 1903: eerste proefvlucht door de gebroeders Wright) realiseerde men zich pas goed dat de oorlogsvoering in de lucht een belangrijke plaats zou gaan innemen.
Proefnemingen in Duitsland, Frankrijk en later ook Engeland met (aangepaste) veldartillerie wezen uit, Dat
Veldgeschut niet geschikt was voor het gebruik tegen luchtdoelen.
Vanaf 1913 werden, internationaal gezien, speciale onderdelen uitgerust met middelen belast met de
luchtverdediging. De Luchtdoelartillerie was een feit.


2. De bakermat van de Nederlandse Luchtdoelartillerie.

Om de Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog te handhaven, was het bezit van lucht-
Verdedigingsmiddelen noodzakelijk. Het veldgeschut. Zoals reeds eerder vermeld, was ongeschikt voor een
luchtverdedigingstaak. Dit leidde ertoe dat de toenmalige eerste luitenant de artillerie A.J. Maas belast
werd met de oprichting van een onderdeel ter bestrijding van vliegtuigen.
Betrokkene was ingedeeld bij het 4e Regiment vestingartillerie en geplaatst op het fort Prins Frederik bij Ooltgensplaat. Als gevolg van deze opdracht werd in 1915 een soort affuit geconstrueerd voor de “schwarzloze”
mitrailleur. Deze affuit bestond uit een houten opbouw waarover de mitrailleur 360 ° kon worden rondgedraaid
en waarbij een elevatie van ± 80° kon worden bereikt. Tevens werden schietregels ontworpen om met
handvuurwapens op luchtdoelen te schieten.
Voor de beschikking staande vuurmonden ( 10 cm Brons en 12 cm Staal) werden eveneens speciale affuiten
( max. elevatie 40°) en schietregels ontworpen.
Later, in 1916, werd met de vuurmonden van 7 cm een grotere elevatie verkregen door het graven van een
diepe geul rond de vuurmond. De bakermat van de Nederlandse Luchtdoelartillerie moet derhalve gezocht
worden op het fort Prins Frederik te Ooltgensplaat en wel als onderdeel van het 2e Bataljon van het 4e Regiment
vestingartillerie. Een weinig betekende uitbreiding van het materieel werd verkregen door de aanschaf
van een aantal gemodificeerde vuurmonden van 9 cm. In de loop van het jaar 1917 werd de 4e Compagnie
van het 3e Bataljon van het 2e Regiment vestingartillerie belast met de opleiding van het personeel.
Dit onderdeel, dat de naam Luchtafweer Afdeling ( L.A.A.) kreeg, was gelegerd op het fort Penningsveer
te Halfweg. Als aanvulling op het materieel kreeg het de beschikking over een aantal 3,7 cm vuurmonden
afkomstig van de Koninklijke marine.

Nog in datzelfde jaar werd uit personeel van de 1e Schoolcompagnie van het 1e Bataljon van het 3e Regiment
vestingartillerie de “Luchtafweermotorbatterij” (L.A.M.B.) gevormd. De Luchtafweermotorbatterij werd, in
tegenstelling tot de Luchtafweer Afdeling, die uitsluitend over geschut in vaste opstellingen beschikte, bewapend
met mobiel geschut. Dit was mogelijk geworden door de aanschaf van een drietal “autokanonnen” van 7,6
cm ( aangeduid met 8 cm) van de Engelse firma Armstrong. De eerste van deze vuurmonden, die gemonteerd
waren op een zware vrachtauto van het merk “Thornycroft”, arriveerde in maart 1917 in ons land, spoedig
gevolgd door beide anderen.
De Luchtafweermotorbatterij kwam in Delft in garnizoen. Doordat het met munitie geladen schip de “Bestevaer”
voor Hoek van Holland door oorloghandelingen verloren ging, trad vertraging op, waardoor deze vuurmonden
pas eind 1917 inzetbaar werden.


In 1918 kreeg de Luchtafweermotorbatterij in het kader van de
neutraiteitsbewaking, van 1 mei tot 1 november,
luchtverdedigingstaken te vervullen te Cadzand. Meerdere malen werd het vuur geopend op vliegtuigen die
ons luchtruim schonden.
bij de demobilisatie in november 1918 werden de L.A.A. en de L.A.M.B. gehandhaafd en belast met de opleiding van recruten voor de bediening van het geschut.
Tot 1922 wijzigde de situatie niet wezenlijk, alleen de naam Luchtafweermotorbatterij werd gewijzigd in
“Motorluchtafweerbatterij”.



3. De oprichting van het Korps Luchtdoelartillerie.


Het jaar 1922 bracht grote veranderingen voor de Nederlandse luchtdoelartillerie. op 26 mei van dat jaar
werden de bestaande luchtdoelartillerie-eenheden opgeheven, onder gelijktijdige oprichting van het Korps
Luchtdoelartillerie.
Het korps bestond uit een staf em eem schoolcompagnie en werd gelegerd in de kazerne der vestingsartillerie
aan de Croeselaan te Utrecht, de later “Hojelkazerne”.
De schoolcompagnie verzorgde de opleiding van recruten en jaarlijks werden twee ploegen opgeleid met
een duur van 5 ½ maand.

Op 1 september 1922 werd het Korps Luchtdoelartillerie uitgebreid met een gedeelte van het personeel van
de 3e en 4e Compagnie van het 2e Regiment vestingsartillerie, na opheffing van dit regiment.
Het belangrijkste materieel bestond uit:
- drie kannonen van 8 cm;
- die vuurmonden van 6 tl op vrachtauto Berna;
- drie vuurmonden van 7 tl op vrachtauto Berna;
-tot luchtdoelvuurmond omgebouwde kazematvuurmonden van 6 en 7 cm ( van hetzelfde type als hierboven
op vrachtauto);
-tot luchtdoelvuurmond omgebouwde en in Duitsland aangekochte vuurmonden van 9 cm.
Met dit materieel kon met een aantal batterijen formeren.
De mobiele vuurmonden werden voor oefeningsdoeleinden gebruikt, de overige vuurmonden werden opgelegd
en waren bestemd om bij eventuele mobilisatie in vaste opstellingen rond te verdedigen objecten te worden
opgesteld.

4. De periode tussen twee wereldoorlogen 1922-1938

Van opzienbarende ontwikkelingen is, op een enkele uitzondering na, in deze periode geen sprake.
op materieelgebied kwamen de volgende voornaamste mutaties tot stand:
- In 1924 werden de Duitse vuurmonden van 9 cm omgebouwd, vanwege hun zeer geringe bruikbaarheid,
uit de bewapening genomen;
- In 1925 kwamen twaalf vuurmonden van 10 cm van de Koninklijke marine ter beschikking van de luchtdoel
artillerie; deze behoorden oorspronkelijk tot de bewapening van een in aanbouw zijnde kruiser, die uit
bezuinigingsoverwegingen niet werd afgebouwd;
- In 1926 werden bij het Korps Luchtdoelartillerie in gebruik zijn Vickers mitrailleurs vervangen door
Spandau mitrailleurs, die bij de Duitse doortocht door Limburg in 1918 , in grote aantallen waren achtergelaten;
- In 1930 werden voor alle batterijen moderne hoogtemeters van de firma Nedisco te Venlo aangeschaft.
Zonder vuurleidingsintrumenten waren deze echter van weinig waarde. Uitgebreide beproevingen op
dit gebied bleven in ons land zonder resultaat;
- In 1935 werd besloten modern luchtdoelgeschut en vuurleidingsapparatuur van de Engelse firma Vickers
aan te schaffen.
Vooral dit laatste heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van de gevechtswaarde der luchtdoelartillerie.
Ook personeelssterkte en organisaties waren aan veranderingen onderhevig. Zo werd het Korps Luchtdoelartillerie
in 1927 en 1937 uitgebreid met een tweede respectievelijk derde schoolcompagnie.
Op 20 juni 1938, besloot men, mede gelet op de sterk toenemende oorlogsdreiging in Europa, over te gaan
tot de algehele reorganisatie van de luchtdoelartillerie.
Met ingang van die datum werd het Korps Luachtdoelartillerie uitgebouwd tot een brigade luchtdoelartillerie,
bestaande uit twee regimenten. Het 1e Regiment luchtdoelartillerie werd te utrecht, het 2e Regiment
luchtdoelartillerie werd te Amsterdam, later te Alkmaar gelegerd.
Bij deze vredesregimenten werd de opleiding verzorg door de oorlogseenheden.

Schietoefeningen werden vanaf 1918 op de strandboulevard van Scheveningen gehouden en na oprichting
van het Korps, van het strand bij Muiden.
Te beginnen najaar 1925 vonden zij verder te Den Helder plaats. Dit gebeurde vanaf het terrein van fort
Kijkduin waarbij geschoten werd op een door een vliegtuig voorgesleepte linnen schietschijf.


5. De periode direct voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog.

De toestand waarin de luchtverdediging zich in 1938 bevond was verre van rooskleurig. Terwijl onze
Luchtstrijdkrachten over een gering aantal, min of meer moderne jagers beschikten, bestond onze luchtdoelartillerie uit slechts dertien moderne en veertien verouderde batterijen luchtdoelgeschut met daarnaast enige honderden, nauwelijks bruikbare luchtdoelmitrailleurs.
Onderzoek wees uit dat slechts drie van de verouderde batterijen gericht vuur konden uitbrengen.
Dit was het gevolg van tekorten aan zowel munitie en vuurleidingapparatuur als aan specialistisch personeel.
De oorlogsdreiging leidde ertoe dat op 1 november 1938 werd overgegaan tot de instelling van een centraal
bevelsorgaan voor de totale luchtverdediging. De oprichting van het Commando Luchtverdediging, bestaande
uit de Luchtvaartbrigade, de Brigade Luchtdoelartillerie, het 3e Regiment genietroepen ( zoeklichten), het
Vrijwillig Landstormkorps Luchtwachtdienst en het Vrijwillig Landstormkorps Luchtafweerdienst, gaf de
stoot tot een ongekende uitbreiding van materieel en personeel.
Tot commandant van de luchtverdediging werd generaal-majoor der artillerie P.W. Best benoemd.
Deze was, als voormalig commandant van de Militaire Luchtvaartafdeling te Soesterberg, vertrouwd met
alles wat de luchtvaart betrof. Gekozen werd voor een sterk gecentraliseerde bevelvoering en een ver doorgevoerde integratie bij alle betrokken eenheden. Door vorming van luchtverdedigingskringen kreeg het
luchtverdedigingsstelsel een meer flexibel en dynamisch karakter.

Op 10 mei 1940 bestond de luchtdoelartillerie dankzij een grote krachtsinspanning uit:
- modern geschut:
72 zware vuurmonden 7,5 cm tl nr 1 ( Vickers);
12 zware vuurmonden 7,5 cm tl nr 2 ( Skoda);
45 lichte vuurmonden 4 cm tl ( Bofors);
160 lichte vuurmonden 2 cm nr 1 ( Oerlikon);
35 lichte vuurmonden 2 cm tl nr 2 ( Scotti);

- verouderd geschut:
3 zware vuurmonden 10 cm tl
15 zware vuurmonden 7 cm tl
21 zware vuurmonden 6 cm tl

- luchtdoelmitrailleurs
462 verouderde luchtdoelmitrailleurs M 25 ( Spandau)

Hieruit waren geformeerd:
27 batterijen 7,5 cm tl;
1 batterij 10 cm tl;
5 batterijen 7 cm tl;
7 batterijen 6 cm tl;
15 batterijen 4 cm tl;
74 pelotons 2 cm tl;
462 luchtdoelmitrailleurs verdeeld over diverse luchtdoelartillerie-eenheden.

De totale personele sterkte bedroeg ongeveer 10.000 personen. Typerend voor de snelheid waarmee op het
laatste moment eenheden werden geformeerd, was het feit dat de laatste batterij, 24 BtLua, pas op 10 mei
1940 bij het Depot Luchtdoelartillerie ter beschikking kwam.


6. De meidagen van 1940
Bij de inval op 10 mei 1940 werd tegen ons land en het noordelijk deel van Belgie het gros van de zeer sterke
2e Duitse vloot ingezet.
Deze werden bovendien gesteund door de Marinevliegdienst. waardoor in totaal aan Duitse zijde negen
(lucht)gevechtsdivisies, twee (lucht)transportdivisies en èèn marine (lucht)divisie aan de strijd deelnamen.
Alhoewel nooit gelijktijdig tot inzet gekomen, vertegenwoordigen deze eenheden tweederde deel van de
operationele strekte van het Duitse luchtwapen, te weten in totaal 3500 vliegtuigen. Zoals de geallieerden
deskundige Asher Lee later zou schrijven:
“ in geen andere periode van de Tweede Wereldoorlog werd een zo sterke en efficiënte Diste luchtvloot
met zulke enorme reserves aan geoefend personeel, bewapening en uitrusting”.
Nederland kon hier slechts zes afdelingen jachtvliegtuigen (63 vliegtuigen) tegenover stellen, alsmede de hierboven genoemde eenheden luchtdoelartillerie.

Aangezien de jachtvliegtuigen vooral tot taak hadden de
bombardementsvluchten van de luchtmacht te beschermen was de luchtdoelartillerie gedurende de vijf oorlogsdagen vrijwel het enige luchtverdedigingselement. Hoewel de luchtdoelartillerie geen afdoende bescherming kon bieden tegen de enorme overmacht, slaagde zij er toch in de vijand indrukwekkend verliezen toe te brengen.
Gedurende de oorlogsdagen werden 314 vliegtuigen neergeschoten, te weten 139 vijandelijke bommenwerpers en jagers en 175 overige vliegtuigen.
De geschiedenis door de Nederlandse luchtdoelartillerie in de meidagen van 1940 geschreven, vormt ongetwijfeld een bladzijde uit de krijgshistorie waarop met trots kan worden teruggezien. De Luftwaffe werd een slag toegebracht waarvan deze zich nimmer meer geheel heeft weten te herstellen. Commandant luchtverdediging kon dan ook in zijn dagorder van 15 mei 1940 met recht stellen: “Ik ben trots op den moed en onversaagdheid, waarmee Gij allen van de luchtverdediging, van hoog tot laag, hebt gestreden voor Koningin en Vaderland”.

Hoewel het niet behoort tot de opzet van dit beknopt overzicht om alle acties waaraan eenheden van de
luchtdoelartillerie hebben deelgenomen en de successen die daarbij werden behaald uitvoerig te beschrijven,
lijkt het juist er een aantal uit te lichten.
De hieronder genoemde plaatsen zullen door het verbinden van hun naam aan de na de oorlog
( 1 juli 1950 ) opgerichte regimenten voor de geschiedenis behouden blijven.

KORNWERDERZAND

Door de commandant van de stelling Den Helder, onder wiens bevel ondermeer de verdedigingwerken van
de Afsluitdijk ressorteerden, werden in de nacht van 12 op 13 mei 1940 twee pelotons luchtdoelartillerie,
respectievelijk het 2e Peloton luchtdoelmitrailleurs ( 4x M25) en een peloton 2 cm tl M1 van het Vrijwillig
Landstormkorps Luchtafweerdienst Leeuwarden, naar Kornwerderzand gezonden. Herhaaldelijk werden
de stellingen door jachtvliegtuigen en later ook door vijandelijke artillerie aangevallen; echter zonder
succes. Bovendien werden bij deze gevechtshandelingen naar alle waarschijnlijkheid drie vijandelijke
vliegtuigen neergeschoten.

YPENBURG

Alhoewel de luchtdoelartillerie, opgesteld ter verdediging van het vliegveld Ypenburg tot het laatst bleef
vuren op vijandelijke vliegtuigen, zelfs indien deze reeds geland waren,kon niet verhinderd worden dat Duitse
parachutisten het vliegveld in bezit namen. Bij deze gevechtshandelingen waren onder meer betrokken het
59e, 60e en 61e peloton luchtdoelmitrailleurs ( 4x M25 elk) die waren aangewezen voor de verdediging van
het vliegveld tegen laagvliegende vliegtuigen.
Van de overige luchtdoelartillerie-eenheden, die behoorden tot de luchtverdedigingskring Rotterdam/s`Gravenhage moeten worden genoemd de 13e en 76e batterij resp. ten noorden en ten westen van het vliegveld, die vijandelijke vliegtuigen op groter hoogte kon bestrijden ( 7,5 cm tl) terwijl in het zuiden, omgeving Delft, de lagere hoogten werden bestreken door vijf pelotons van de afdeling Delft van het Vrijwillig Landstormkorps Luchtafweerdienst.
Toen het vliegveld na de uitgevoerde tegenaanvallen werd heroverd kon, met uitzondering van de 13e batterij,
praktisch de gehele luchtdoelartillerie rondom Ypenburg en Den Haag gedurende de verdere meidagen in
actie blijven.
De 13e batterij werd reeds op 10 mei 1940 door een aantal voltreffers buiten gevecht gesteld; hierbij en bij
latere gevechtshandelingen telde de batterij 10 gesneuvelden.
Alhoewel een nauwkeurig cijfer niet te noemen valt wordt aangenomen dat door de luchtdoelartillerie rondom Ypenburg en Den Haag op 10 mei vermoedelijk 47 vijandelijke vliegtuigen werden neergeschoten.

WAALHAVEN

Bij Waalhaven gelukte het de vijand reeds snel de bruggen in handen te krijgen, ondermeer door met
watervliegtuigen en parachutes eenheden aan te voeren. Dit had tot gevolg dat de onderdelen die ten zuiden
van de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg waren opgesteld, dan wel buiten gevecht werden gesteld, dan
wel betrokken raakten in de strijd op de grond. Dit gold ondermeer voor de luchtdoelartillerie-eenheden,
deel uitmakend van de luchtverdedigingskring Rotterdam/ s`Gravenshage, inbegrepen het vliegvel Waalhaven.
Daardoor werd de luchtverdediging sterk bemoeilijkt en kon een aantal luchtverdedigingsmiddelen geen
daadwerkelijke bijdrage leveren. Desondanks konden met name de 3e, 6e en 77e Batterij, alsmede de pelotons
van het Vrijwillig Landstormkorps luchtafweerdienst Rotterdam en een aantal pelotons luchtdoelmitrailleurs
in positieve zin van zich doen spreken. Doordat 3 BtLua geen verbinding meer had, werd zelfs een uur nadat
Nederland de strijd had opgegeven, nog op Duitse vliegtuigen geschoten. Uiteraard kunnen ook hier geen nauwkeurige cijfers voor wat betreft vijandelijke verliezen worden gegeven. Aangenomen mag worden dat vermoedelijk 22 vijandelijke vliegtuigen in de regio Rotterdam zijn vernietigd.

BETUWE

Met de naam BETUWE worden de luchtdoelartillerie-eenheden van het III Lk, de brigades A en B en de
Luchtverdedigingskring Utrecht geëerd.
Alleen al de 5e en 9e Compagnie luchtdoelmitrailleurs, elk bestaande uit drie kanonnen van 4tl, 10 kanonnen
van 2 tl en enige M25 Spandau mitrailleurs, schoten gedurende de meidagen vermoedelijk 52 vijandelijke
vliegtuigen neer.

RHENEN

RHENEN is de naam verbonden aan de gevechten in de omgeving van de Grebbeberg. Voor wat betreft
de luchtdoelartillerie heeft dit vooral betrekking op gevechten van de 4e en 7e Compagnie luchtdoelmitrailleurs
behorende tot II Lk en van de 10e batterij ( drie kanonnen 7,5cm tl Vickers) behorende tot de luchtverdedigings-
groep 1 Lk. De beide compagnieën met stellingen bij Zeist, Maarn, Rhenen en de Grebbeberg schoten in
totaal vermoedelijk 36 vliegtuigen neer.

HOEK VAN HOLLAND

Te hoek van Holland werd aan de luchtdoelartillerie ( 17e ,23e en 163e Batterij) de bescherming toevertrouwd
van het vertrek van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina naar Engeland. Hiertoe werd een speciale luchtverdedigingsgroep geformeerd die, tesamen met de enige oorlogsschepen, ervoor zorgde dat dit vertrek
veilig kon geschieden.

Het verliespercentage aan Duitse zijde was zo ingrijpend, dat de Duitse generaal Speidel later stelde: “Het
boven Nederland geleden verlies aan transportcapaciteit heeft zich nog jaren doen voelen”.


7. De periode na de Tweede Wereldoorlog tot 1950.

De onvoorwaardelijke overgave van Duitsland maakte op 8 mei 1945 officieel een einde aan de oorlog in
Europa; met de wederopbouw van land en krijgsmacht kon een aanvang worden gemaakt.
Op 15 april 1946 werden het 1 en 2 Regiment luchtdoelartillerie, daterend uit 1938, in ere hersteld en het
3 Regiment luchtdoelartillerie opgericht.
Naast de opleiding van luchtdoelartilleristen, die ten behoeve van de naar Nederlands-Indië uit te zenden
eenheden deels in Engeland plaatsvond, werd daarmee hier ten lande in 1945 eveneens begonnen in Oldebroek.
De kaderopleidingen werden later verplaatst naar Harderwijk (1946) en Breda (1946-1948). Vanaf januari
1948 werd het personeel grotendeels opgeleid in het “Depot pantserdoel-en lichte luchtdoelartillerie” (Deventer,
Schalkhaar en Wezep) dat na de reorganisatie op 1 januari 1946 werd omgedoopt tot “Depot lichte
luchtdoelartillerie en meetdienst”, om vervolgens vanaf 1 mei van datzelfde jaar te worden aangeduid als
“luchtdoelartillerie centrum”.
De luchtdoelartillerie kwam op 16 maart 1949 in haar geheel onder het toen opgerichte “commando
luchtdoelartillerie”.
De commandant luchtdoelartillerie had naast zijn operationele verandtwoordelijkheid over alle eenheden
tevens de bevoegdheid van inspecteur over de luchtdoelartillerie. De gehele voorbereiding, opleiding en
commandovoering van de luchtdoelartillerie kwam zodoende onder eenhoofdige leiding.
Teneinde over parate eenheden te kunnen beschikken werden uit de vredesorganisatie een drietal oorlogs-
regimenten gevormd:
- 1 september 1946: het 1 Regiment lichte luchtdoelartillerie;
- 1 maart 1947 : het 2 Regiment lichte luchtdoelartillerie;
- i januari 1948 : het 3 Regiment lichte luchtdoelartillerie.
Dit laatste regiment als mobilisatie eenheid, de eerste twee regimenten werden naar het toenmalig
Nederlands-Indië gezonden.

Teneinde ook in eigen land parate luchtdoelartillerie-eenheden te hebben, werden twee afdelingen in de
sterkte opgenomen:
- de 1 Territoriale afdeling lichte luchtdoelartillerie (20 dec 1948- 01 mrt 1950);
- de 2 Territoriale afdeling lichte luchtdoelartillerie ( 20 dec 1948- 15 jul 1950).


8. Het conflict in het voormalige Nederlands-Indië

De capitulatie van Japan vond (door inzet van eeen nieuw wapen, “de atoombom”, tegen de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki, op respectievelijk 6 en 9 augustus 1945) veel eerder plaats dan aanvankelijk had kunnen worden voorzien. Reeds op 2 september van hetzelfde jaar was de strijd in de Pacific voorbij. Hierdoor werd aan de in oprichting zijnde expeditionaire macht, die ten doel had een Nederlandse bijdrage te leveren aan de strijd tegen Japan en mede te werken aan de bevrijding van Nederlands-Indië, de grondslag ontnomen.
Toen evenwel bleek dat de Nederlandse belangen aldaar geschaad werden door nationalistische groeperingen, die zelfstandig voorstonden, en chaos en terreur hand over hand toenamen, besloot de Nederlandse regering alsnog troepen uit te zenden om haar belangen te verdedigen en orde en rust te herstellen.
In dit verband werd ook luchtdoelartillerie naar de Oost gezonden en wel het 1 (oorlogs) Regiment met de 1 Divisie “7 December” (oktober 1946) en het 2 (oorlogs) Regiment met de 2 Divisie (april 1947). Elk oorlogsregiment bestond uit drie afdelingen bewapend met 4 cm tl. Aanvankelijk werd het 1 Regiment bestemd voor de verdediging van de vliegvelden Kemajoran, Tjililitan en Ander, doch door het geheel ontbreken van vliegtuigen bij de tegenpartij werd het personeel belast met infanteriediensten, zoals wachtdiensten en patrouilles. In januari 1947 werd het 1 Regiment ingekrompen tot de Luchtdoelartilleriegroep Militaire Luchtvaart. Het 2 Regiment werd na aankomst in Nederlands-Indië tijdelijk ontbonden; het personeel kwam ter beschikking van de Kwartiermeester-generaal.
Aangezien de luchtmacht van de tegenstander na verloop van tijd over enige vliegtuigen bleek te beschikken werd het 1 Regiment bij de belangrijkste vliegvelden ingezet. De batterijcommandant werd belast met de coördinatie van alle beveiligings- en verdedigingstaken.
Later zijn nog vuurmonden ingezet ter ondersteuning van de infanterie. Na de overeenkomst van 2 november 1949, waarbij werd bepaald dat Nederlands-Indië met ingang van 27 december van dat jaar als zelfstandige staat (Indonesië) zou gaan bestaan, keerden de troepen naar Nederland terug. De laatste luchtdoelartillerie-eenheden debarkeerden in april 1950.


9. Opbouw van de Luchtdoelartillerie 1950-1953

In 1949 werd de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie ( NAVO) opgericht, die tot doel had gezamenlijk
een verdere expansie van de Sovjet-Unie een halt toe te roepen.
Tegenover de bedreiging van de zijde van de Sovjet-Unie stelde de NAVO een schild van parate strijdkrachten
om het vrije deel van Europa te beveiligen. Alle aangesloten landen moesten hun aandeel aan de Navo-strijdkrachten
leveren. Nederland verbond zich een legerkorps op de been te brengen, waarvan tenminste èèn divisie
en enige andere legerkorpsen paraat zouden zijn. Verder zouden er drie mobilisabele divisies komen.
Ons land had zich in de eerst jaren na de Tweede Wereldoorlog tot het uiterst ingespannen om de nodige
troepen naar het toenmalige Nederlans-Indie te zenden. Het organiseren van troepen voor de NAVO kon
daarom slechts geleidelijk geschieden. Er werd een Commandant Strijdkrachten te Velde ( CSV) benoemd,
die de opdracht kreeg zo spoedig mogelijk onderdelen ten behoeve van de NAVO te formeren.

Ter realisatie van èèn en ander- weliswaar over een aantal jaren verspreid – werd het legerplan 1950 opgesteld.
Hierin werd tevens aandacht besteed aan de verdediging van de buiten het operatieterrein van het veldleger
vallende gebieden.
Plannen werden opgesteld en uitgevoerd met betrekking tot de luchtverdediging van de strijdkrachten te
velde ( mobile luchtdoelartillerie) en van het Nederlands grondgebied ( territoriale luchtdoelartillerie).
Met de talrijke veranderingen en uitbreidingen op handen werd de vredesorganisatie aangepast.

Zo werden op 1 juli 1950 de bestaande drie regimenten luchtdoelartillerie opgeheven onder gelijk oprichting
van zes opleidings-/vredesregimenten, te weten:
-het Regiment zware luchtdoelartillerie WAALHAVEN
( zet de traditie voort van het 1 Regiment luchtdoelartillerie);
- het Regiment zware luchtdoelartillerie RHENEN
(zet de traditie voort van het 2 Regiment luchtdoelartillerie);
- het Regiment lichte luchtdoelartillerie KORNWEDERZAND
( zet de traditie voort van het 3 Regiment luchtdoelartillerie);
- het Regiment zware luchtdoelartillerie YPENBURG;
- het Regiment lichte luchtdoelartillerie HOEK VAN HOLLAND;
- het Regiment lichte luchtdoelartillerie BETUWE;
Lichte, zowel als zware luchtdoelartillerie werd georganiseerd in afdelingen naar Amerikaans model. de
lichte afdelingen kregen als hoofdbewapening vuurmonden van 40 en 20 mm; de zware afdelingen die van
90mm ( aanvankelijk werden de territoriale afdelingen uitgerust met de Britse vuurmond 3,7 inch tl).
De regimenten en de territoriale luchtdoelartillerie-eenheden stonden onder bevel van Commandant Commando

Luchtdoelartillerie. De Commandant van de Strijdkrachten te Velde (CSV) voerde het bevel over de in zijn slagorde voorkomende mobiele afdelingen.
Bij de oprichting van de Militaire Vrouwenafdeling in 1952 werd ook een onderafdeling luchtdoelartillerie opgenomen. De daarbij ingedeelde Milva’s kregen een opleiding voor de volgende taken:
- functies in de luchtdoelartillerie-operatiekamers;
- luchtdoelartillerie-tellers in de luchtmacht-navigatiestations;
- lichte luchtdoelartillerie-tellers in de centra van het korps luchtwachtdienst.


10. Versnelde opbouw van de Luchtdoelartillerie 1953 – 1956.

Teneinde over een voortdurend paraat leger te kunnen beschikken, ging men in 1953 over op het aanvullingssysteem naar Amerikaans model (fillersysteem). Het twee-, later drieploegenstelsel, werd vervangen door een zesploegenstelsel met “aanvullingssysteem”. Elk paraat onderdeel kreeg per lichtingsploeg een achtste van haar sterkte, één en ander gebaseerd op een gecentraliseerde opleiding (4 maanden) en een dienstplichttijd van 20 maanden.
Omdat de aard van de opleidingen veranderde werden de regimenten luchtdoelartillerie samengevoegd in twee depots.
De regimenten Hoek van Holland (sedert 1 mei 1952 een zwaar regiment), Waalhaven, Kornwerderzand, Ypenburg en Rhenen vormden m.i.v. 1 april 1953 het 1 Depot Ossendrecht, het Regiment Betuwe vormde het 2 Depot dat in het kamp Crailo te Laren werd ondergebracht.
Deze twee depots gingen op 1 september 1954 over in het Depot Luchtdoelartillerie te Ossendrecht. Na de reorganisatie van 1953 omvatte de luchtdoelartillerie:
- het Commando Luchtdoelartillerie (16 mrt 1949 – 01 nov 1958);
- vier luchtverdedigingskringen territoriale luchtdoelartillerie; dit waren regionale bevelsorganen waarin parate en mobilisabele lichte en zware afdelingen waren opgenomen;
- één legerkorpsluchtdoelartilleriegroep met daarin parate en mobilisabele lichte en zware mobiele afdelingen (onder bevel van CSV, later C-1 Lk);
- de Luchtdoelartillerieschool (sinds 1 juli 1950);
- de depots luchtdoelartillerie met daarin als vredeseenheden de zes regimenten (per 1 aug 1954 werden de depots samengevoegd tot het Depot Luchtdoelartillerie te Ossendrecht);
- de Benelux Luchtdoelartillerieschool, waar in Beneluxverband luchtdoelartilleriepersoneel werd opgeleid te Lombardsijde, (België);
- het Luchtdoelartillerieschietkamp (sinds 1 mei 1951) te Den Helder.
In de hier geschetste periode was de luchtdoelartillerie, zeker kwantitatief, op haar hoogtepunt.
Wijzigende inzichten en bezuinigingen zouden hier snel verandering in brengen.


11. Vermindering van het aandeel van de Luchtdoelartillerie in de luchtverdediging van Nederland,
de periode 1956 – 1964.


Begin 1956 werden de Regimenten Ypenburg, Hoek van Holland en Waalhaven opgeheven, zodat in het depot slechts drie instructieafdelingen overbleven. Het aantal lichte luchtdoelartillerie-eenheden werd verminderd en de afdelingen territoriale zware luchtdoelartillerie (semimobiel) kernparaat gesteld, om in 1959 geheel uit de organisatie te worden geschrapt.
Op 1 december 1956 verdwenen de overige regimenten en werd het Korps Luchtdoelartillerie wederom opgericht. De mobilisatie-bureaus van de oorspronkelijke regimenten bleven echter bestaan om, maar nu onder supervisie van Hoofd Mobilisatiebureau van het Korps Luchtdoelartillerie, de oorlogsaangelegenheden van hun regiment te kunnen behartigen.
Op 1 november 1958 werd het Commando Luchtdoelartillerie, tevens Inspectie Luchtdoelartillerie, opgeheven. De inspectietaak viel ten deel aan de Inspectie der Artillerie, de operationele taak werd opgedragen aan het op dezelfde datum opgerichte Commando territoriale luchtdoelartillerie.
In de jaren 1959 en 1960 verdween de zware luchtdoelartillerie op grond van gewijzigde inzichten geheel uit de organisatie. De consequentie hiervan was dat het aantal op te leiden dienstplichtigen aanmerkelijk verminderde, zodat het Depot Veldartillerie en het Depot Luchtdoelartillerie samengevoegd werden tot één depot. Door wijziging van de operatieplannen en een ongebreideld vertrouwen in de HAWK/NIKE luchtverdedigingsgordel werd op 1 juli 1964 de gehele territoriale luchtdoelartillerie opgeheven.


12. Periode Nieuw-Guinea 1958 – 1962.

Ter beveiliging van de eenheden welke belast waren met de verdediging van Nederlands Nieuw-Guinea werd in 1958 het eerste contingent van de zelfstandige “Afdeling lichte luchtdoelartillerie Biak” (later 7 Afdeling) daarheen uitgezonden. Deze afdeling werd op 1 oktober 1958 gevormd uit de voormalige 936 Afdeling territoriale luchtdoelartillerie.

In 1962 werd de luchtafweer versterkt met de 928 Afdeling lichte luchtdoelartillerie territoriaal (Appingedam) en de 940 Afdeling lichte luchtdoelartillerie territoriaal (Rotterdam). Eind 1962 keerden de drie afdelingen terug.


13. De periode 1964 tot 1992.

Na de reorganisatie van 1964 en de daaruit voortvloeiende opheffing van de gehele territoriale luchtdoelartillerie, restten er nog slechts twee parate legerkorpsafdelingen en wel de 15 en 45 Afdeling licht luchtdoelartillerie (mobiel).

Door de niet aflatende bezuinigingen was de gevechtskracht van de luchtdoelartillerie tot een onaanvaardbaar peil teruggebracht. Nog hetzelfde jaar vond een nieuwe reorganisatie plaats, die een geringe uitbreiding betekende. De twee afdelingen à vier vuurmondbatterijen werden omgevormd tot drie afdelingen à drie vuurmondbatterijen. Deze reorganisatie was met de paraatstelling van de 25 Afdeling lichte luchtdoelartillerie (mobiel) in oktober 1964 voltooid. Daarnaast bestonden nog drie identieke mobilisabele afdelingen. In feite heeft deze situatie, zij het dat eind 1966 nog drie vierlingmitrailleurs pelotons aan de sterkte werden toegevoegd, bestaan tot 1978. De bewapening van de genoemde afdelingen bestond uit de vuurmond 40L70 (radargeleid) en de vierlingmitrailleur M55.
In 1978 vond de oprichting plaats van de zelfstandige pantserluchtdoelartilleriebatterijen, uitgerust met het stuk pantserrups tegen luchtdoelen (prtl).
De batterij (vier paraat en zes mobilisabel) werd opgenomen in de organisatie van een brigade. Met de invoering van dit wapensysteem was de luchtdoelartillerie in staat, althans voor een groot deel, te voldoen aan de wens tot grotere flexibiliteit en mobiliteit van de luchtdoelartillerie en werd de luchtverdediging van het legerkorps verbeterd.
Begin 1983 werden de zelfstandige batterijen als zodanig opgeheven en in afdelingen georganiseerd, onder gelijktijdige opheffing van twee parate en één mobilisabele afdeling lichte luchtdoelartillerie, zodat nog slechts drie mobilisabele afdelingen lichte luchtdoelartillerie resteerden.
Bovendien werd besloten tot aanschaf van het draagbare wapensysteem STINGER, dat voorlopig in de organisatie van de pantserluchtdoelartillerie-eenheden wordt opgenomen.